Weblog Bas – Waarom de aartsvijand geen vriend mag worden

Dit is de kwestie heet het programma en ik had het scenario kunnen uittekenen. Niets nieuws gehoord. De presentatoren Margje Fikse, Kefah Allush en Tijs van den Brink gaan voor in de gebruikelijke ronde autoschaamte & autoshaming. De aangesproken deskundigen komen rechtstreeks uit het Handboek Ecologische Voorbeeldigheid. De Fietsprofessor, de Verkeerspsycholoog, de Bewust Autobestrijdende Verkeerswethouder. Hoofdschuddend beamen ze de zorgen van de makers. “Er is iets geks met ons aan de hand”, zegt Allush, “we lijken afhankelijker van de auto dan ooit.” Zijn we verslaafd aan de auto? “Het lukt ons blijkbaar niet om hem te laten staan.”
Tsja, hoe kan dat nou? Falend openbaar vervoer, de hectiek van het tweeverdienersleven met alle logistieke complicaties van dien – vind je het gek dat je ’s ochtends voor de basisscholen over de auto’s struikelt? Die mensen moeten naar hun werk. Het betere woord voor verslaving is afhankelijkheidsrelatie.
Daar komen ze bij de EO ook achter. Margje Fikse, woonachtig op het platteland, pakt voor de verandering de trein. Poehpoeh, dat valt niet mee zeg. Toch maar weer de auto. Met de verkeerspsycholoog aan haar zijde. Want jeetje, ze zal toch niet verslaafd zijn aan dat stomme ding? De verkeersprofessor diagnosticeert de rotzooi in haar Land Rover als de behoefte aan een stukje eigen territorium. Je vraagt je af aan welke tegelwijsheidacademie hij zijn graad behaalde.
Ben ik verslaafd aan de auto?, vraagt ze hem.
Nou, hij denkt wel dat ze enorm afhankelijk van hem is in Haar Dagelijkse Patronen.
Dat zet de toon. Alle deskundigen van dienst zeggen wat elke leek had kunnen zeggen. “Parkeerplaatsen zijn heel stressvol voor een kind”, zegt de fietsprofessor. En hoe duivels zit de auto de sociale cohesie in de weg! De Utrechtse verkeerswethouder woont in een smal oud straatje met aan beide kanten auto’s. Daardoor kunnen kinderen niet buiten spelen, het is vreselijk. Allush en de fietsprofessor fietsen door een wijk vol keurig op parkeerplaatsen geparkeerde auto’s. Die betalen tegenwoordig overal dik voor hun plek, maar deugen evengoed van geen kant. Kijk nou, zegt de fietsprofessor. Stel je voor dat ze weg waren, dan zou het paradijs op aarde aanbreken. Dan kon je elkaar ontmoeten, konden de goeien overal duurzaam groen uitrollen, zou de rust wederkeren.
Enzovoorts.
Gelukkig mag Peter Staal van de KNAC nog even wijzen op de keerzijde van de medaille. De toenemende afhankelijkheid van auto’s in een vergrijzende samenleving bijvoorbeeld; verminderde mobiliteit betekent meer mobiliteit. Maar misschien had iemand voorzichtig kunnen vragen of het vijandbeeld niet enigszins zou mogen worden bijgesteld. Ik miste één invalshoek, en niet de minst relevante; dat de Vijand hard op weg is om een Vriend te worden. Hij wordt schoon, maakt geen lawaai meer (ook een risico, maar dat past misschien minder in het haatmodel), remt steeds vaker zelf voor voetgangers, dieren en kinderen en wordt op last van Brussel zo gebouwd dat hij ze maximaal beschermt tegen een aanrijding. Maar hij mag het niet zijn. De ingesleten haatreflex staat het niet toe. De auto moet de boeman blijven.
En dat raakt me. Zelf ben ik namelijk wel degelijk verslaafd aan de auto. En dat al 55 jaar, want de eerste signalen van bovenmatige belangstelling voor dingen op wielen manifesteerden zich toen ik twee was. Verder ben ik guilty as hell met vier auto’s, waarvan er maar één elektrisch is. Op de schaal van fout scoor ik maximaal. Toch zal de fietsprofessor mij in mijn leefomgeving zelden in een auto tegenkomen.
Juist omdat ik verslaafd ben, rijd ik zo weinig mogelijk; alleen als het niet anders kan, en verder uitsluitend als ik zeker weet dat ik er plezier aan ga beleven, wat in Nederland maar zelden het geval is. Als u in en om Groningen een dikke witte man ziet wandelen of fietsen op zijn oude ros met kruisframe en terugtraprem – tien tegen een dat ik het ben. Dagelijks tien kilometer te voet, de rest te fiets. Ik rijd hier nooit auto. Ik kijk wel uit. Niks aan.
De kleine cabrio die ik onlangs aan de collectie toevoegde zal de garage dus niet vaak verlaten. Na twee uur rijden moeten bovendien het Rode Kruis en een masseuse klaarstaan om me op te lappen, want een spijkerbed is wellness naast dat hobbelpaard. Verder valt er voor de Hilversumse goegemeente weinig af te dingen op mijn Copen. De fietsprofessor hoort me aankomen. Hij haalt 1 op 20. Ik neem nauwelijks ruimte in. Ik kan er geen vracht kinderen mee naar school brengen. Die zijn trouwens het huis al uit. Ze hebben wel een rijbewijs, maar geen auto. Veel te duur, en waarom zou je? Maar over tien jaar, als ze zelf kinderen hebben en voor de huizenprijzen naar het platteland zijn gevlucht, komen ze vanuit hun dorpen naar de stad om het kroost waar ik nu al naar uitkijk naar voetbal of toneel te brengen en op kantoor hun peperdure stekkerauto’s te verdienen. Benieuwd waar ze die krengen t.z.t. mogen parkeren in de verkeersluwe enclaves van de plaatselijke wethouderskaste. Het land autoverslaafd? Get real. De auto is nodig.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Generated by Feedzy