Wanneer wordt er zout gestrooid en waarom?

Hoewel er afgelopen zomer om hele andere redenen zout werd gestrooid, gebeurt dat in de regel maar om één reden: kans op gladheid. Daarbij is preventie het toverwoord. Er wordt gestrooid om gladheid te voorkomen, niet om ontstane gladheid weg te nemen. Tenzij de omstandigheden daarom vragen, zoals bij aanhoudende sneeuwval.
Om te bepalen of er gladheid voorkomen moet worden, gebruikt Rijkswaterstaat voor de rijkswegen het ‘gladheidmeldsysteem’. Geeft dat aan dat er kans op gladheid is, dan wordt er door gladheidcoördinatoren gekeken: wat is de weersverwachting? En ligt er nog zout op de weg? Biedt het antwoord op allebei die vragen ook aanleiding om te strooien, dan valt het strooibesluit. Binnen twee uur kunnen de in totaal 577 strooiwagens waarover Rijkswaterstaat beschikt er dan voor zorgen dat alle rijkswegen gestrooid zijn.
Het gladheidmeldsysteem en lokale wegen
Het gladheidmeldsysteem werkt aan de hand van sensoren in het wegdek en meetpunten op 330 locaties langs de rijkswegen. Het geeft weer wat de temperatuur van het wegdek is en kijkt naar meetbare zaken als de luchtvochtigheid en de wind. Ook de weersvoorspellingen van het KNMI worden in de gaten gehouden om een kans op gladheid te kunnen melden. Rijkswaterstaat deelde het land daarvoor op in twaalf gebieden, die grofweg overeenkomen met de provincies. Per gebied wordt gekeken of er aanleiding is om te strooien.
In principe wordt dat gladheidmeldsysteem alleen gebruikt voor het bepalen van de strooibehoefte op de rijkswegen. Daar een wegbeheerder de verantwoordelijkheid draagt voor veilige omstandigheden op de weg en provinciale of lokale wegen beheerd worden door respectievelijk de provincies en gemeenten, bepalen zij of daar ook gestrooid wordt. De provincies hebben daar deels hun eigen methodes voor, en gemeenten stemmen op hun beurt het strooibesluit vaak weer af op de keuzes van de provincie. Daarbij hebben veel gemeenten ook een gladheidsbestrijdingsplan, omdat zij met ‘eigen mensen’ moeten strooien en daar dus afspraken over willen vastleggen.
Strooien bij droog weer
Rijkswaterstaat heeft voor het strooien contracten met aannemers die dag en nacht beschikbaar zijn. Bij gemeenten wordt het strooien vaak gedaan door gemeentewerkers – en die hebben vaker rekening te houden met hun werktijden. Je zult dan ook regelmatig zien dat er op de avond vooraf aan nachtvorst wordt gestrooid binnen de bebouwde kom, wat op de grote wegen daarbuiten in principe niet voorkomt.
Voor de rijkswegen bepaalt Rijkswaterstaat zo laat mogelijk of strooien daadwerkelijk nodig is, om onnodig strooien te voorkomen. Wel geldt dat er bij twijfel altijd gestrooid wordt, want veiligheid staat op één. Dat verklaart ook waarom er soms gestrooid wordt, terwijl de omstandigheden daar niet om lijken te vragen. Bijvoorbeeld als het koud maar droog is. Het kan namelijk voorkomen dat de luchtvochtigheid wel dermate hoog is dat er mistbanken kunnen ontstaan. Als die mist in aanraking komt met het koude asfalt, bevriest het meteen. Dat kan leiden tot zogenaamde condensatiegladheid.
Daarmee komen we terug bij het preventie-toverwoord. Gladde wegen worden in de regel voorkomen in plaats van verholpen. Daarbij wordt er bij twijfel dus vooral wél gestrooid. Omdat op gemeentelijk niveau het strooibesluit vaak vroegtijdiger wordt genomen in verband met de beschikbaarheid van personeel, is er meer ruimte voor twijfel. Volgens Jan Rients Slippens, senior-adviseur gladheidsbestrijding bij Rijkswaterstaat, zag je bij de eerste nachtvorst van vorige week dan ook dat er verhoudingsgewijs meer op lokale wegen werd gestrooid, dan op rijkswegen. Daarvoor konden ze immers pas later besluiten dat het her en der toch niet nodig was.
De rijkswegen worden gestrooid door aannemers en die doen dat in heel Nederland binnen twee uur na een strooibesluit.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Generated by Feedzy