Volvo 480 Turbo – Rijtest – Uit de Oude Doos

Misschien denk jij ook wel eens met weemoed terug aan de jaren 80 en 90, toen tal van autofabrikanten nog met sportief gelijnde modellen kwamen die ook voor de ‘gewone man’ nog enigszins bereikbaar waren. De Volvo 480 was er daar één van. Die verscheen al vóór de 440 waar hij zijn basis mee zou delen en leek naast de toen nog in productie zijnde 340 haast wel uit de toekomst te komen. Vooral zijn sportieve neus met klapkoplampen en Ferrari Daytona-achtige dagrijverlichting kreeg de handen wel op elkaar. Het was het werk van de Nederlander John de Vries, die in de eerste helft van de jaren 80 de basisvormen van het winnende ontwerp op papier zette. Onder leiding van Robert Koch werd het ontwerp van Volvo’s designafdeling in Helmond verder uitgewerkt. De 480 zou uiteindelijk ook in Nederland, even verderop in Born, van de band rollen. Een behoorlijk Nederlands feestje dus, die 480.
Ondanks zijn vrij bescheiden basis, moest de 480 met zijn flitsende uiterlijk natuurlijk ook daadwerkelijk sportief voor de dag kunnen komen. Mede daarom schroefde Volvo een turbo op de van Renault afkomstige 1.7. Daarmee werd-ie overigens maar marginaal sterker, de atmosferische 1.7 leverde maximaal (zonder katalysator) 109 pk vermogen, de turboversie 120 pk. Toch gaf het de 480 wel een ander karakter. Het maximumkoppel lag met 175 Nm toch 35 Nm hoger en uiteraard scheelde de aanwezigheid van de turbo ook op de tussensprintjes merkbaar.

Dat de turbo echt meerwaarde had, ondervonden we precies 30 jaar geleden, toen we met de Volvo 480 Turbo op pad gingen. “Ten opzichte van de ongeblazen 1700-motor biedt de turbo-uitvoering niet eens zo veel meer vermogen en koppel, maar vooral meer trekkracht onderin het toerengebied. Dat maakt het rijden in de turbo heel ontspannen en zorgt voor een perfect ‘aansluiting’ van de versnellingen. Met name de acceleratie op de snelweg heeft daar voordeel van: een tijd van minder dan 9 seconden voor de sprint van 80 naar 120 km/h in de vierde versnelling is echt heel rap. Ook in de ‘5’ gaat het inhalen trouwens nog kwiek genoeg, want dat kost maar net 3 seconden meer dan in ‘4’.” Wat we ook een pluspunt vonden, was de alertheid van de turbo en het beperkte turbogat. “Zo levert de turbomotor al bij 2.400 toeren zijn hoogste koppel van 175 newtonmeter: vergeleken met de ‘gewone’ 1700-motor is dat 1.500 toeren minder.”
Meer dan genoeg lof voor de 480 Turbo dus, ook voor zijn wegligging. Op dat gebied vonden we de reguliere 480 al prima en ook de 480 Turbo kon volgens ons zijn extra vermogen prima kwijt. Wel misten we wat speels karakter. De 480 voelde eerder ‘veilig en rustig’ aan in bochten, dan dat-ie echt uitdaagde. “De 480 Turbo is dan ook niet zozeer een sportcoupé, maar eerder een comfortabele, veilige en snelle reiswagen, die door zijn uiterlijk en prestaties imponeert. Vooral zijn exclusiviteit maakt hem zijn geld waard.” Wel vreesden we voor de 480 Turbo dat de meerprijs van tien mille ten opzichte van de 480 met atmosferische 1.7 wat aan de stevige kant was. Daar kwam nog eens bij dat die het stokje overdroeg aan een 2.0, die qua prestaties nog wat dichter bij de Turbo kwam. Ook moest je wel kunnen leven met een vrij onpraktische auto, want voor bagageruimte moest je niet bij de 480 zijn. Maar goed, een 480 kocht je ook meer met je hart dan je verstand, toch?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Generated by Feedzy