Alpina B7 en B10, Alpina's visie op de 5-serie E28, E34 en E39

Welke auto’s zien eruit als gewone BMW’s, maar zijn twee keer zo duur en dragen een logo met een krukas en een aanzuigstuk? Het antwoord is voor kenners een eitje: Alpina’s. Al 60 jaar lang verandert Alpina auto’s uit de serieproductie met behulp van veel handwerk in lekkernijen voor automobiele fijnproevers, die dynamiek, verfijnde rijeigenschappen en understatement op waarde weten te schatten. Het karakter van de raspaardjes uit de Allgäu komt het sterkst naar voren bij de modellen die op de 5-serie zijn gebaseerd. Ze bieden wel het nodige comfort, maar zijn tegelijkertijd nog dynamisch genoeg om recht te doen aan het Alpina-karakter.
BMW Alpina B7 Turbo

Dit karakter komt bij geen enkele testdeelnemer sterker naar voren dan bij de eerste turbosedan van het merk. In 1978 stelde Alpina de B7 Turbo op basis van de BMW 5-serie (modelreeks E12) aan de wereld voor, met een vermogen van 300 pk. “We leveren nu de snelste sedan ter wereld”, zo meldde Alpina-baas Burkard Bovensiepen. En volledig terecht: de auto had een gemeten topsnelheid van 250,2 km/h. “Om optimale technische oplossingen te bieden, hebben we ons niet te veel bekommerd om het kostenplaatje.” En dat had zijn uitwerking niet gemist, want de B7 kostte 60.000 mark, twee keer zoveel als een doorsnee 5-serie.
Trilpijpen
De motor werd indertijd gebouwd door Fritz Indra. Daarbij lag het zwaartepunt op de nog nieuwe turbotechniek en daar wist Indra alles van. Uit zijn trukendoos haalde hij naast de KKK-turbo ook trilpijpen aan de inlaatzijde, die de turbodruk nog verder verhogen alsmede – voor het eerst bij een Duitse auto – een computergestuurde ontsteking. Met behulp van een draaiknop, het zogenaamde stoomwiel, kon de bestuurder een turbodruk tussen de 0,5 en 0,9 bar instellen. Dat betekent 250 tot 300 pk en een maximaal koppel van 462 Nm.
330 pk op 1.500 kilo
Ons exemplaar is gebaseerd op de gefacelifte 5-serie van de modelreeks E28 uit 1981. Qua aandrijving heeft dat model veel gemeen met de oer-B7. Dit exemplaar beschikt over de zeldzame vermogenskit die voor een vermogen van 330 pk en een koppel van 520 Nm zorgt. En dat in combinatie met een autogewicht van 1.500 kilo. Indertijd was dit echt een bizar snelle auto. Zo behoort ook mijn eerste ontmoeting met de B7 Turbo tot de momenten die je niet vergeet. Het was in de herfst, de weg was nat en dit pk-monster (de beruchte 911 Turbo was indertijd maar 300 pk sterk) deed aan als een ticket naar het hiernamaals. Het was een emotioneel afscheid, ik gaf de kat nog maar eens een extra knuffel. Het baasje zou vermoedelijk niet meer thuiskomen.

Dat het toch goed afliep, lag niet zozeer aan de rijkwaliteiten van de bestuurder, maar aan de talenten van de ingenieurs. Alpina maakt geen beesten van auto’s, maar handzame krachtpatsers. Ondanks het enorme vermogen joeg deze auto je geen angst aan. En aan dat beeld is niets veranderd, zoals de eerste ontmoeting duidelijk maakt. De 330 turbo-pk’s voelen aan als een enorme spier die zelfs boven de 200 km/h nog op spanning staat. En het feit dat je met zo’n ouderwets aandoende auto het gros van de auto’s nog altijd in het stof laat bijten, zorgt ervoor dat de grijns op je gezicht nog veel breder wordt. Bij 3.000 tpm wordt de bestuurder stevig in zijn stoel gedrukt, zonder dat de soepele twaalfkleps zescilinder ook maar enigszins de indruk maakt dat hij daar hard voor moet werken. Ook het onderstel is niet snel van zijn stuk te brengen. De B7 blijft op de autobahn ook bij hogere snelheden stoïcijns de gekozen koers volgen. In bochten voorziet de veel feedback biedende besturing de bestuurder van alle informatie die hij nodig heeft. Die zit hoog en geniet van het goede zicht rondom en zelfs het veercomfort is goed te noemen. Het is een auto waarmee je snel vertrouwt raakt, anno 2019 nog evenzeer als 35 jaar geleden.
BMW Alpina B10 V8

De B10 van de 5-serie modelreeks die de E12 opvolgde, is in zekere zin de tegenhanger van de B7. Het ingetogen uiterlijk sluit weliswaar perfect aan op de Alpina-filosofie: geen brede heupen, geen brulpijp onder de achterbumper, slechts subtiele spoilers (enkel en alleen gericht op het verbeteren van de rijdynamiek) en – desgewenst – de kenmerkende Alpina-striping. De motorisering is daarentegen van een heel ander kaliber.
V8 in 5-serie
In 1992 werd de 5-serie voor het eerst voorzien van een V8 en die werd vervolgens ook onder handen genomen door Alpina. Bij onze B10 uit 1994 luidt het devies cilinderinhoud in plaats van turbo. De cilinderinhoud werd vergroot van vier naar 4,6 liter en daardoor steeg het vermogen naar 340 pk. Qua koppel wist hij het niveau van zijn voorganger met turbo niet helemaal te evenaren: 480 Nm bij 3.800 tpm in plaats van 520 Nm bij 2.200 tpm. En dat is goed te voelen. Waar de gespierde B7 Turbo aanvoelt als een sappige biefstuk, voelt de atmosferische motor in eerste instantie nogal vegetarisch aan. Pas bij hogere toerentallen komt hij op stoom, ongeveer vanaf 4.000 tpm. Dan reageert hij echter ook spontaner op het gaspedaal; hij haalt enthousiast door naar 6.500 tpm. De decente, warmbloedige V8-sound vormt daarbij een passende begeleiding.

Ons exemplaar is één van de slechts negen exemplaren die de fabriek verlieten met handgeschakelde zesversnellingsbak en dat is een uitstekende combinatie met de achtcilinder. Ook de technische vooruitgang heeft zijn uitwerking gehad: de E34-carrosserie is zwaarder, maar ook aanzienlijk stijver. Het rijgedrag is minder lichtvoetig, maar ook straffer en veiliger, het comfort is eveneens harmonieuzer. Het is bijna niet te geloven dat deze auto al 25 jaar oud is. In tegenstelling tot concurrenten uit die tijd voelt de E34 eigenlijk nog best modern aan.
BMW Alpina B10 V8 S

De jongste Alpina van dit trio maakt een al even goede indruk. Onze B10 V8 S stamt uit 2003 en is gebaseerd op de BMW E39, die door kenners vanwege zijn comfort, zijn moderne techniek en zijn dynamische rijgedrag als één van de beste 5-series ooit wordt gezien. Wederom worden de pk’s in de Alpina-versie geleverd door een atmosferische V8 (in dit geval 375 pk). Ditmaal gaat het om een motor met 4,8 liter inhoud, die is gekoppeld aan een automaat. Het karakter werd bepaald door het feit dat er een comfortabele tegenhanger tot de sterk op sportiviteit gerichte M5 van de modelreeks moest worden ontwikkeld.

En dat werd gerealiseerd. Waar de M5 continu adrenaline door je aderen pompt, maakt de Alpina nooit een hectische indruk en doet hij heel beschaafd aan, zonder op prestatievlak de aansluiting te verliezen. Weliswaar komt hij ten opzichte van de M5 nog 25 pk tekort, maar daar staat tegenover dat hij 10 Nm meer koppel biedt en minder hoge toerentallen nodig heeft. Het is een erg prettige mix, helemaal omdat het onderstel hieraan ook een bijdrage levert. Bij snelle ritten wordt weliswaar duidelijk dat de in dit geval gebruikte stationwagon-carrosserie niet helemaal zo’n goede torsiestijfheid biedt als de sedanvariant, maar het is ook duidelijk dat deze auto is gebouwd voor de openbare weg en niet voor de Nürburgring. Dat maakt de Alpina alleen maar beter. En opnieuw dringt de vraag zich op waar de vooruitgang is gebleven. Deze Alpina heeft er al 16 jaar op zitten, maar nog altijd maakt hij je qua rijden in alle opzichten gelukkig. Zonder assistentiesystemen en zonder connectiviteit.
Dit artikel is eerder verschenen in AutoWeek Classics nummer 7 uit 2019.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.